ECLI:NL:RVS:2009:BK2905
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.J. Hoekstra
- R.E.A. Matulewicz
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke vernietiging goedkeuring bestemmingsplan Steyl wegens strijd met zorgvuldigheidsvereisten
Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft op 3 februari 2009 het bestemmingsplan Steyl van de gemeente Venlo goedgekeurd. Hiertegen hebben een vennootschap onder firma en een individuele appellant beroep ingesteld bij de Raad van State.
De vennootschap onder firma stelde dat de wijzigingsbevoegdheid in het plan tot woonbestemming ten noorden van haar perceel haar bedrijfsvoering zou belemmeren en dat haar perceel geïsoleerd zou raken. De Afdeling oordeelde dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat deze wijzigingsbevoegdheid niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening, mede omdat woningbouw pas na een aparte wijzigingsprocedure mogelijk is.
Verder betoogde de vennootschap dat haar transport- en horeca-activiteiten onterecht niet positief waren bestemd. De Afdeling concludeerde dat het college aannemelijk had gemaakt dat het café niet meer daadwerkelijk werd geëxploiteerd en dat de transportactiviteiten onder de zand- en grindhandel vielen, zodat het plan in overeenstemming was met de feitelijke situatie.
De vennootschap stelde ook dat het gebruik van het gedeelte vóór de voorgevelrooilijn voor opslag niet was toegestaan, terwijl dit gebruik feitelijk plaatsvond en onder overgangsrecht viel. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd of en hoe dit gebruik binnen de planperiode zou worden beëindigd, waardoor het besluit op dit punt in strijd was met de zorgvuldigheidseisen en vernietigd moest worden. Tevens werd geoordeeld dat de veranda die de bouwgrens overschrijdt niet positief was bestemd, wat eveneens tot vernietiging leidde.
De individuele appellant klaagde over de nieuwe woonbestemming die bedrijfsactiviteiten zou verhinderen, maar de Afdeling vond dat het college het plan redelijk had vastgesteld gezien de feitelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten en het ontbreken van concrete herstartplannen. Ook was geen mondelinge hoorzitting verplicht.
De Afdeling verklaarde het beroep van de vennootschap onder firma gedeeltelijk gegrond en dat van de individuele appellant ongegrond. Het college werd veroordeeld tot een beperkte proceskostenvergoeding aan de vennootschap onder firma.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt gedeeltelijk vernietigd en goedkeuring onthouden voor het plandeel 'Bedrijf' nabij de voorgevelrooilijn.