ECLI:NL:RVS:2009:BK2272
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vreemdelingenbewaring bij ongewenstverklaring en misdrijf
De vreemdeling was meerdere malen in vreemdelingenbewaring geplaatst, onderbroken door strafrechtelijke detentie. De staatssecretaris stelde dat er zicht was op uitzetting, onder meer omdat lp-aanvragen waren ingediend bij Iraakse en Egyptische autoriteiten en er rappelleringen hadden plaatsgevonden. De rechtbank had de bewaring echter opgeheven wegens gebrek aan concreet zicht op uitzetting en kende schadevergoeding toe.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de eerdere bewaring meewoog bij de beoordeling van het zicht op uitzetting, omdat een lange periode was verstreken en er geen bijzondere omstandigheden waren. Verder was er geen reden om aan te nemen dat de Egyptische autoriteiten geen lp zouden verstrekken. De grief van de staatssecretaris over het zicht op uitzetting slaagde daarom.
Daarnaast stelde de vreemdeling dat het onterecht was om zowel de ongewenstverklaring als de veroordeling voor een misdrijf aan de bewaring ten grondslag te leggen. De Raad oordeelde dat dit twee afzonderlijke gronden zijn die beide kunnen gelden.
De vreemdeling voerde ook aan dat de belangenafweging na zes maanden bewaring in zijn voordeel moest uitvallen, maar dit werd verworpen omdat hij niet voldeed aan de medewerkingsplicht en geen medische onderbouwing leverde voor detentieongeschiktheid.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.