ECLI:NL:RVS:2009:BK2269
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie
De vreemdeling werd op 25 augustus 2009 om 8.00 uur ontslagen uit strafrechtelijke detentie en vervolgens om 11.45 uur in vreemdelingenbewaring gesteld. Er was geen titel voor vrijheidsontneming in de tussentijd, omdat niet is gebleken dat hij voor verhoor werd opgehouden. De vreemdeling klaagde hierover, maar de Raad van State oordeelde dat deze klacht niet tot vernietiging van de beslissing leidt.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een gebrek aan rechtmatigheid in de vrijheidsontneming alleen leidt tot onrechtmatigheid van de daarop volgende bewaring als de belangenafweging onevenwichtig is. In dit geval was er geen sprake van een onevenwichtige belangenafweging.
De gronden voor ophouding volgens artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 waren aanwezig, waardoor de vreemdeling gedurende zes uur kon worden opgehouden. Daarnaast waren er gegronde redenen voor inbewaringstelling en was de bewaring niet onrechtmatig. De belangen van uitzetting waren zwaarwegend omdat de vreemdeling wegens strafbare feiten ongewenst was verklaard.
De Raad van State bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.