ECLI:NL:RVS:2009:BK2240
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na toepassing Dublin-verordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling, afkomstig uit Somalië en minderjarig, had in Nederland een asielaanvraag ingediend nadat hij eerder in Italië een asielaanvraag had gedaan. De staatssecretaris van Justitie wees zijn aanvraag af op grond van de Dublin-verordening, die bepaalt dat de lidstaat verantwoordelijk is waar de asielaanvraag eerst is ingediend.
De vreemdeling voerde aan dat hij bij terugkeer naar Italië het risico liep op onmenselijke behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, en dat de opvang van minderjarige asielzoekers in Italië onvoldoende was, mede onderbouwd met een fax van zijn mentor en een rapport van de Raad van Europa. Hij stelde dat hij daarom niet verplicht kon worden om zijn klachten eerst bij de Italiaanse autoriteiten aan te kaarten.
De Raad van State oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de vreemdeling zijn klachten bij de Italiaanse autoriteiten moet voorleggen, alvorens Nederlandse autoriteiten kunnen ingrijpen. De aangevoerde omstandigheden en rapporten boden onvoldoende grond om van dit uitgangspunt af te wijken. De interim maatregelen van het EHRM waren niet gemotiveerd en boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter die het beroep van de vreemdeling had afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.