Uitspraak
200700303/1) wordt het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, opgevat als het laten verrichten van arbeid.
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €24.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit en stelde de boete vast op €21.600. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Appellante voerde aan dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat zij niet wist van het werk op het perceel en dat de verklaringen van de vreemdelingen onbetrouwbaar waren. De Raad van State overwoog dat het feitelijk laten verrichten van arbeid voldoende is voor werkgeverschap, ongeacht instemming of kennis. Het boeterapport en de verklaringen, die door een tolk in het Pools zijn afgenomen en ondertekend, vormden een betrouwbaar bewijs.
De Raad van State verwierp het betoog van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De boete werd gehandhaafd op €21.600. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €21.600 aan appellante wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.