ECLI:NL:RVS:2009:BK1964

Raad van State

Datum uitspraak
30 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200907065/1/H1 en 200907065/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • M.W. Wijers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 2 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:86 Algemene wet bestuursrechtMonumentenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijstelling aanleg fiets- en voetpaden ondanks eigendomsbezwaar

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum verleende op 14 juli 2009 vrijstelling voor de aanleg van fiets- en voetpaden en het wijzigen van een kruising, maatregelen behorend tot het Integraal Bereikbaarheidsplan. Appellant, eigenaar van een perceel waarop de vrijstelling deels ziet, stelde dat de vrijstelling niet verleend had mogen worden vanwege een privaatrechtelijke belemmering, omdat onderhandelingen over aankoop van zijn grond waren gestaakt.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat de zaak direct kon worden behandeld.

De Raad van State overwoog dat de gemeente nog steeds de intentie heeft de benodigde grond te verwerven en dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat die het gebruik van de vrijstelling in de weg staat. Ook werd geoordeeld dat de Monumentenwet geen belemmering vormt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

200907065/1/H1 en 200907065/2/H1.
Datum uitspraak: 30 oktober 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2009 in zaak nrs. 09/3555 en 09/3556 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan de afdeling Projectmanagement van de dienst Stad van de gemeente Hilversum (hierna: de gemeente) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling verleend voor de aanleg van fiets- en voetpaden en afritten langs de Godelindeweg, Krugerweg en Bussumergrintweg en het wijzigen van de kruising 's-Gravenlandseweg-Bussumergrintweg (Quatre Bras), maatregelen 4.2 en 6.11 van het Integraal Bereikbaarheidsplan.
Bij uitspraak van 14 augustus 2009, verzonden op 31 augustus 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2009, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. W. Kattouw, en het college, vertegenwoordigd door H.I. Slager, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat waardoor de vrijstelling niet kon worden verleend, nu de vrijstelling deels ziet op grond die bij hem in eigendom is en de onderhandelingen met de gemeente tot aankoop van de grond gestaakt zijn.
2.2.1. De onderhandelingen tussen de gemeente en [appellant] met betrekking tot de aankoop van diens gehele perceel zijn afgebroken waarna wethouder E. Boog aan [appellant] een brief heeft gezonden om dit te bevestigen. In de zienswijzennota heeft het college evenwel aangegeven dat de gemeente nog open staat voor aankoop van de gronden van [appellant] waarop de vrijstelling ziet. Ter zitting heeft het college benadrukt dat de gemeente nog steeds de intentie heeft de benodigde grond te verwerven en is door [appellant] bevestigd dat overeenstemming over de verkoop van de grond mogelijk is indien de gemeente een juist aanbod doet. De voorzieningenrechter is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die evident aan het gebruik van de vrijstelling in de weg staat.
Het betoog faalt.
2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de Monumentenwet in de weg staat aan de verlening van de vrijstelling, overweegt de voorzitter dat van een dergelijke belemmering niet is gebleken.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Wijers
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009
444