Uitspraak
200201760/1), kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime kleiner is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van een geringe inbreuk op het planologische regime sprake is, zodat in dit geval aan de ruimtelijke onderbouwing minder zware eisen kunnen worden gesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ten behoeve van het voorgenomen gebruik van het terrein wordt voorzien in een slechts beperkte uitbreiding van het reeds verharde gedeelte van 22 meter op het terrein en dat het terrein op grond van de bij besluit van 13 juli 1999 verleende vrijstelling reeds mag worden gebruikt als parkeerterrein ten behoeve van sociaal-culturele activiteiten in het voormalige kerkgebouw van de stichting Noordeinder Vermaning. Dat door de vrijstelling mogelijk kinderen in het resterende achterliggende grasland zullen gaan spelen, hetgeen − zo stellen [appellant A] en [appellant B] − strijd met artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn tot gevolg zal hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Van belang is slechts in hoeverre het gebruik van het terrein als openbare parkeerplaats, waarvoor de vrijstelling is verleend, een inbreuk vormt op het ter plaatse geldende planologische regime. Overigens wordt opgemerkt dat in het bestemmingsplan dat grasland als speelterrein is bestemd.
200701240/1), komen de vragen of voor de uitvoering van het project een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, en zo ja, of deze vergunning kan worden verleend aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij tevens de effecten van het project op de Eilandspolder als Vogel- en Habitatrichtlijn dienen te worden beoordeeld. Dat doet er niet aan af dat het college geen vrijstelling voor het project had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand had moeten inzien dat de Natuurbeschermingswet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat.
200701608/1, is aan het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter is om die vraag te beantwoorden.