Uitspraak
200802009/1in hoger beroep herhaalt, slaagt dit niet, nu geen sprake is van gelijke gevallen. In de zaak die tot die uitspraak heeft geleid had belanghebbende een ingevuld formulier overgelegd, waarop een paraaf was geplaatst in het daartoe bestemde hokje voor het onderdeel visuele controle, waardoor geen aanleiding bestond voor twijfel of de daartoe aangewezen medewerker van belanghebbende daadwerkelijk een visuele controle had verricht bij de identiteitscontrole van de vreemdeling. Reeds daarom was in die zaak sprake van een ander feitencomplex dan in het onderhavige geval.
200900196/1, aan dat de door de minister genoemde verschillen tussen de gezichtskenmerken van de vreemdeling en van de persoon op de pasfoto op de identiteitskaart niet evident zijn, alsmede dat de minister noch de rechtbank nader heeft gespecificeerd waar bedoelde verschillen uit bestaan. Tevens heeft de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten over een door [appellante] ter zitting bij de rechtbank overgelegde foto van de vreemdeling, aldus [appellante]. Tot slot voert zij aan dat zij alle aanwijzingen over de visuele controle, zoals vermeld op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft uitgevoerd.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.