Uitspraak
200703277/1valt niet in te zien dat met toepassing van de, ten opzichte van de in artikel 17 van Pro de WRO vervatte procedure voor een tijdelijke vrijstelling, zwaardere procedure van artikel 19, eerste lid, van de WRO niet voor een periode van vijf jaar een tijdelijke vrijstelling kan worden verleend.
200302949/1heeft de wetgever in artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van een geldend bestemmingsplan voor een project. Voor zover de Stichting wijst op artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is de Afdeling van oordeel dat hieraan in dit verband geen betekenis toekomt nu deze wet eerst op 1 juli 2008 in werking is getreden.
200305190/1, komen de vragen of voor de uitvoering van een bouwplan ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat het college geen vrijstelling voor het plan had mogen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Met het oog op deze te maken beoordeling en in het bijzonder gelet op het toetsingsadvies van de commissie bevatte het MER voldoende onderzoek naar de effecten van Mystery Land op de flora en fauna. Daarbij betrekt de Afdeling dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij brief van 3 juni 2008 het college desgevraagd heeft bericht dat -samengevat weergegeven- nog geen noodzaak bestaat voor een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van Pro de Flora-en Faunawet voor de rugstreeppad, vleermuizen, vogels en vegetatie. Hoewel de noodzaak voor een ontheffing ten aanzien van de rugstreeppad en vogels ook niet werd uitgesloten, werd ten aanzien van de rugstreeppad geen overtreding van deze wet voorzien en werd ten aanzien van vogels gewezen op de mogelijkheid om door het treffen van maatregelen te voorkomen, dat een ontheffing op grond van die wet benodigd is.