Uitspraak
200701617/1. Uit rechtsoverweging 2.2.3 van die uitspraak volgt volgens het college dat bij een bekend verschil tussen de verwachte jaargemiddelde emissie en het product van de korte termijn emissiegrenswaarden en het verwachte aantal draaiuren, het in strijd is met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer om géén jaargemiddelde grenswaarde voor te schrijven. Volgens het college is er ook in dit geval, voor zowel kwik als voor dioxinen en dibenzofuranen, een discrepantie tussen het product van de daggemiddelde waarden uit het BVA en de verwachte draaiuren enerzijds en de door Essent benodigde jaargemiddelde concentratie anderzijds. Het college stelt voorts dat op grond van de emissiegegevens uit eerdere jaren in combinatie met ervaringen met het doseren van actief kool verwacht mag worden dat Essent aan een jaargemiddelde grenswaarde voor dioxinen en dibenzofuranen van 0,02 ng/m3 kan voldoen.
200705503/1), dat hiermee voldoende is gewaarborgd dat de beste beschikbare technieken worden toegepast en dat het BREF Afvalverbranding geen aanleiding geeft voor het oordeel dat hiervoor eveneens is vereist jaargemiddelde normen aan de vergunning te verbinden.
200701617/1, waarnaar het college heeft verwezen, doet aan het vorenstaande niet af, nu het in die rechtsoverweging niet gaat over het niet aan de vergunning verbinden van een grenswaarde voor de jaargemiddelde emissieconcentratie maar over het niet aan de vergunning verbinden van een jaarvracht.
200804250/1), behoort, gelet op artikel 8.22 van de Wet milieubeheer, de beoordeling van eventuele nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot de taak van het vergunningverlenend gezag en dienen onder nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden mede te worden verstaan de in aangewezen BBT-documenten genoemde beste beschikbare technieken. Voorschrift 9.2.1 heeft, gezien de verwijzing naar voorschrift 9.1.1, betrekking op onderzoek naar het bereiken van een zo hoog mogelijk energierendement overeenkomstig de beste beschikbare technieken; voorschrift 10.3.1 heeft betrekking op onderzoek naar het verder verminderen van de luchtverontreiniging, het energieverbruik en het verkeerslawaai die het gevolg zijn van het vervoer van afvalstoffen en reststoffen. De Afdeling acht het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over artikel 8.22 van de Wet milieubeheer, in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer dat het college in de voorschriften 9.2.1, 9.2.2 en 10.3.1 heeft bepaald dat Essent naast het verrichten van onderzoek naar de haalbaarheid van maatregelen die op de genoemde gebieden tot een verdergaande bescherming van het milieu kunnen leiden, uitvoeringsplannen dient op te stellen die vervolgens door Essent uitgevoerd moeten worden. Daarmee wordt aan Essent overgelaten om te onderzoeken welke nog niet eerder toegepaste of door het bevoegd gezag voorgeschreven maatregelen met het oog op de in artikel 8:11, derde lid, van de Wet milieubeheer gestelde eis dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, alsnog binnen de inrichting zouden moeten worden getroffen, terwijl dit, zoals uit het vorenstaande blijkt, een taak van het vergunningverlenend gezag is. Het beroep slaagt in zoverre.