ECLI:NL:RVS:2009:BJ6628

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200903635/2/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • M. Vogel-Carprieaux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen goedkeuring bestemmingsplan bedrijventerrein Woudenberg

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft op 24 maart 2009 besloten tot goedkeuring van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' vastgesteld door de raad van de gemeente Woudenberg. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Tijdens de zitting op 4 augustus 2009 zijn de appellant, het college en de raad gehoord. De appellant voerde aan dat de woning ten onrechte als burgerwoning was bestemd en dat delen van het perceel onjuist waren ingedeeld qua bestemming, waardoor ontwikkelingsmogelijkheden werden beperkt.

De voorzitter oordeelde dat het plandeel overeenkomt met het feitelijke gebruik, dat er een onherroepelijke bouwvergunning voor de loods is en dat er geen concrete verdere bouwplannen zijn. Hierdoor ontbreekt een spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening. Ook werd verwacht dat het beroep in de bodemprocedure deels niet-ontvankelijk zal zijn wegens procedurele tekortkomingen.

Gelet op deze omstandigheden werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200903635/2/R2.
Datum uitspraak: 25 augustus 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Woudenberg (hierna: de raad) bij besluit van 25 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein".
Tegen dit besluit hebben [appellant a en b] (hierna: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2009, waar [appellant a], vergezeld door [appellant b] en [zoon], en het college, vertegenwoordigd door ing. J.G. Kentie MSc, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door M. Valé, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Voor zover in de stukken en ter zitting is gesteld dat het verzoek- en beroepschrift mede zijn ingediend namens [appellant c], moeder van [appellant a] en eigenaresse van het perceel aan de [locatie], en dat [appellant] gemachtigd moet worden geacht om in deze procedure in rechte voor haar op te treden, overweegt de voorzitter het volgende.
De bedenkingen zijn niet ondertekend door [appellant c], noch blijkt daaruit dat deze mede namens haar zijn ingediend. De door [appellant] ter zitting overgelegde machtiging maakt dit niet anders, nu hieruit niet blijkt dat deze ziet op het voeren van deze procedure en deze pas is opgesteld na het verstrijken van de termijn voor het indienen van bedenkingen.
De voorzitter heeft dan ook de verwachting dat het beroep in de bodemprocedure in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2.3. Het verzoek van [appellant] richt zich tegen het besluit van het college voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden -W-" en de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B2-" op het perceel aan de [locatie]. Daartoe voeren zij aan dat de woning ten onrechte als burgerwoning en niet als bedrijfswoning is bestemd, aan een deel van de bedrijfshal ten onrechte de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend, de ontwikkelingsmogelijkheden voor het perceel worden beperkt, daaraan ten onrechte niet de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B1-" en de aanduiding "aannemersbedrijf -A-" zijn toegekend en ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Woondoeleinden" voor het gehele perceel is toegekend.
2.3.1. De voorzitter ziet geen aanleiding voor de verwachting dat zich onomkeerbare gevolgen zullen voordoen voordat door de Afdeling uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Daartoe acht hij van belang dat het plandeel overeenkomstig het feitelijke gebruik is bestemd, voor de te bouwen loods reeds een bouwvergunning is verleend die in rechte onaantastbaar is geworden en van verdere, concrete, bouwplannen niet is gebleken.
Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vogel-Carprieaux
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2009
458.