ECLI:NL:RVS:2009:BJ6041
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Weigering afgifte Verklaring Omtrent het Gedrag aan taxichauffeur wegens drugsdelict
Appellant verzocht om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur. De minister van Justitie weigerde de VOG op grond van een eerdere veroordeling van appellant voor een drugsgerelateerd delict en een verkeersovertreding. De minister baseerde zich op de beleidsregels uit de Circulaire Beleidsregels 2004, waarin wordt aangegeven dat een VOG geweigerd kan worden als het strafbare feit, indien herhaald, een risico vormt voor de samenleving en de taakuitoefening.
Appellant stelde dat de minister zijn besluit onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het ontbreken van recidive en zijn grote belang bij het beroep. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister terecht de strafbare feiten van appellant heeft betrokken bij de risicobeoordeling, ook al staan deze niet expliciet in het screeningsprofiel voor taxichauffeurs. Het drugsdelict vormt een gevaar voor de volksgezondheid en daarmee een belemmering voor een behoorlijke taakuitoefening. De belangenafweging door de minister was zorgvuldig en proportioneel, waarbij het maatschappelijke belang zwaarder woog dan het persoonlijke belang van appellant. De weigering van de VOG is daarmee rechtmatig.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de minister om een VOG af te geven aan appellant vanwege het drugsdelict en het risico voor de samenleving.