ECLI:NL:RVS:2009:BJ6025

Raad van State

Datum uitspraak
18 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200905489/2/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • M.M. van der Smissen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuurArt. 8:29 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voorlopige voorziening tegen weigering verlenging exploitatievergunning Bar Meerzicht

De burgemeester van Amsterdam heeft op 11 april 2008 de aanvraag van verzoekster om verlenging van de exploitatievergunning voor Bar Meerzicht aan de Middenweg 398 te Amsterdam afgewezen. Tevens werd haar opgelegd de exploitatie binnen vier weken te beëindigen onder bestuursdwang. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel het bezwaar als het beroep werden ongegrond verklaard.

Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de sluiting van het pand te voorkomen. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 13 augustus 2009 en wees het af.

De burgemeester baseerde zijn weigering op adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, die wezen op een ernstig gevaar dat de vergunning zou worden gebruikt voor het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen en het plegen van strafbare feiten. De rechtbank had dit oordeel onderschreven, mede vanwege eerdere veroordelingen van verzoekster en een andere persoon wegens witwassen en andere strafbare feiten.

De voorzitter oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het hoger beroep zal leiden tot vernietiging van de eerdere uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de verlenging van de exploitatievergunning en de sluiting van Bar Meerzicht is afgewezen.

Uitspraak

200905489/2/H3.
Datum uitspraak: 18 augustus 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2009 in zaak nr. 09/43 in het geding tussen:
verzoekster
en
de burgemeester van Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2008 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) een aanvraag van [verzoekster] om verlenging van de geldigheidsduur van de haar ten behoeve van Bar Meerzicht aan de Middenweg 398 te Amsterdam (hierna: Meerzicht) verleende exploitatievergunning afgewezen. Voorts heeft de burgemeester haar op straffe van bestuursdwang gelast de exploitatie van Meerzicht binnen vier weken te beëindigen.
Bij besluit van 18 december 2008 heeft de burgemeester het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoekster] heeft toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, om mede op basis van de door de burgemeester met het verzoek dat alleen de Afdeling daarvan kennis kan nemen ingezonden stukken uitspraak te doen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 augustus 2009, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Pans en
mr. R.M.S. Horst, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering om de geldigheidsduur van de aan [verzoekster] verleende exploitatievergunning te verlengen heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat hij op basis van de adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur heeft geoordeeld dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in die aanhef en onder b.
2.2. [verzoekster] dient de exploitatie van Meerzicht vanaf 19 augustus 2009 te staken en het pand daarna gesloten te houden. Het verzoek is erop gericht dit te voorkomen.
2.3. Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt te meer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden. Voor het treffen van een voorziening, als verzocht, kan onder die omstandigheden aanleiding bestaan, indien op voorhand valt aan te nemen dat de desbetreffende uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven en tevens het desbetreffende besluit in rechte geen stand zal houden.
Hetgeen [verzoekster] naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans uiteindelijk zal blijken dat de burgemeester niet heeft mogen weigeren de geldigheidsduur van de aan [verzoekster] verleende vergunning te verlengen en haar ten onrechte heeft gelast de exploitatie van Meerzicht te beëindigen, als hij heeft gedaan. Voor het betoog van verzoekster dat de rechtbank heeft miskend dat er geen zakelijk samenwerkingsverband is tussen haar en [persoon], bestaan naar voorlopig oordeel onvoldoende aanknopingspunten. Voorts heeft de rechtbank naar voorlopig oordeel met juistheid overwogen dat de burgemeester, behalve de veroordeling van verzoekster van 3 november 2008 wegens schuldwitwassen, de veroordeling van voornoemde [persoon] op diezelfde dag wegens gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte meermalen gepleegd, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, handelen in strijd met de Opiumwet en opzet en schuldheling, in de beoordeling mocht betrekken.
2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van der Smissen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2009
419.