ECLI:NL:RVS:2009:BJ5550

Raad van State

Datum uitspraak
19 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900555/1/H2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbMonumentenverordening gemeente Berkelland 2007 art. 1 lid 2 sub aMonumentenverordening gemeente Berkelland 2007 art. 3 lid 1 en 2
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot aanwijzing gemeentelijk monument voor schuur

Het college van burgemeester en wethouders van Eibergen heeft op 21 oktober 2004 het verzoek van appellant om een schuur op zijn perceel in de gemeente op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, afgewezen. Dit besluit werd door het college van Berkelland bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Zutphen ongegrond verklaard in een uitspraak van 6 januari 2009.

Appellant stelde in hoger beroep dat het college hem niet heeft gehoord over een aanvullend advies van de monumentencommissie en een intern gemeentelijk stuk, waardoor zijn belangen zijn geschaad. De Raad van State oordeelde dat deze stukken slechts verduidelijking gaven en geen nieuwe feiten waren die een hoorplicht zouden veroorzaken. Ook was het college niet verplicht appellant de gelegenheid te geven hierop te reageren.

Verder betoogde appellant dat de rechtbank onjuiste feiten had aangenomen over de bouwgeschiedenis van de schuur en dat het bouwwerk authentiek was. De Raad van State volgde dit niet, omdat de rechtbank terecht afging op het deskundigenadvies van de monumentencommissie en het ontbreken van een deskundig tegenadvies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot aanwijzing van de schuur als gemeentelijk monument bevestigd.

Uitspraak

200900555/1/H2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 januari 2009 in zaak
nr. 08/410 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eibergen een verzoek van [appellant] om de schuur op het perceel [locatie] in [plaats] op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, afgewezen.
Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college), als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Eibergen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 15 februari 2009 en 2 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 200900605/1/H1, ter zitting behandeld op 10 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek en M.G.J. Lubberink, beiden werkzaam bij de gemeente Berkelland, zijn verschenen.
Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 2, sub a, van de ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van toepassing zijnde Monumentenverordening gemeente Berkelland 2007 (hierna: de verordening) verstaat deze verordening onder monumenten: zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders, met instemming van de eigenaar, besluiten roerende en onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
Ingevolge het tweede lid, geven burgemeester en wethouders een beschikking over de aanwijzing van een monument als beschermd gemeentelijk monument, nadat de commissie cultuurhistorie en de eigenaar zijn gehoord. In spoedeisende gevallen kunnen zij hiervan afwijken.
2.2. De monumentencommissie Gelders Genootschap (hierna: het Gelders Genootschap) heeft op 18 mei 2004 een negatief advies uitgebracht over het verzoek van [appellant] om de schuur op zijn perceel [locatie] in [plaats] te plaatsen op de gemeentelijke monumentenlijst. De commissie Cultuurhistorie Berkelland (hierna: de monumentencommissie) heeft in haar advies van 5 oktober 2007 het eerder uitgebrachte advies van het Gelders Genootschap onderschreven.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem in strijd met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet heeft gehoord over het advies van de monumentencommissie van 5 oktober 2007 en een intern gemeentelijk stuk van 30 november 2007 inzake het door het secretariaat van de monumentencommissie verrichte nader onderzoek naar aanleiding van zijn bezwaar. Volgens [appellant] had het college hem de mogelijkheid moeten bieden om mondeling dan wel schriftelijk te reageren op deze na de op 16 april 2007 gehouden hoorzitting ingebrachte stukken. Hij stelt hierdoor in zijn belangen te zijn geschaad. Het college had volgens [appellant] zorgvuldig moeten omgaan met de ingebrachte stukken aangezien een aantal bij de zaak betrokken personen deel uitmaakt van zowel de monumentencommissie, het gemeentebestuur, als van de ambtelijke organisatie.
2.3.1. De monumentencommissie heeft in het advies van 5 oktober 2007 naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] nader geadviseerd over het verzoek om plaatsing van de schuur op de gemeentelijke monumentenlijst. Dit advies bevestigt het eerdere advies van het Gelders Genootschap en geeft een verduidelijking van het toetsingskader. Het advies van 5 oktober 2007 kan dan ook niet worden beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor het op bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn als bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Awb. Om dezelfde reden was het college niet gehouden [appellant] te horen over het interne gemeentelijke stuk van 30 november 2007 dat slechts diende ter verduidelijking van de gehanteerde criteria. Gelet op het voorgaande was het college evenmin gehouden [appellant] de gelegenheid te geven om schriftelijk te reageren op deze stukken. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat het college met betrekking tot deze stukken onzorgvuldig heeft gehandeld.
2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat zijn aanvraag niet objectief is beoordeeld, faalt evenzeer. In hetgeen hij heeft aangevoerd is geen reden gelegen voor het oordeel dat de adviserende commissies, zoals hij stelt, zich hebben laten leiden door de dwangsomprocedure en de mededelingen van het college over de planologische mogelijkheden.
2.5. Volgens [appellant] is de rechtbank uitgegaan van onjuiste feiten aangezien de schuur niet in de jaren negentig geheel opnieuw is gebouwd. Voorts voert hij aan dat het niet om een replica maar om een geheel authentiek bouwwerk gaat. Vanwege de verdeeldheid van partijen over de feiten had het volgens hem geen zin een deskundig tegenadvies te overleggen en heeft hij kunnen volstaan met de door hem ingebrachte stukken die voor een deel afkomstig zijn van onafhankelijke ter zake deskundigen, aldus [appellant].
2.5.1. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank niet uitgegaan van onjuiste feiten door te oordelen dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn stelling, dat de monumentencommissie ten onrechte ervan is uitgegaan dat in de jaren negentig een geheel nieuwe schuur is gebouwd. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] bij zijn verzoek om plaatsing van de schuur op de gemeentelijke monumentenlijst een historisch overzicht heeft gevoegd waarin is aangegeven dat de schuur in 1960 geheel is afgebroken en 30 meter is opgeschoven. Aangezien de monumentencommissie in haar advisering heeft betrokken dat de schuur geheel is afgebroken en opnieuw is opgebouwd en dat ook nadien wijzigingen hebben plaatsgevonden, heeft het college - daargelaten de vraag wanneer dit precies is gebeurd - kunnen afgaan op het advies van de monumentencommissie. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat [appellant] geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd. Anders dan hij meent was dit niet zinloos omdat dit ook duidelijkheid zou hebben kunnen bieden over de feiten, voor zover hij zich op het standpunt heeft gesteld dat partijen daarover verdeeld waren. Zijn stelling dat de schuur een geheel authentiek bouwwerk is, wordt niet door een ter zake deskundige onderschreven en kan in afwijking van het deskundigenadvies van de monumentencommissie niet tot de conclusie leiden dat de schuur monumentale waarde heeft.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Dallinga
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009
18-609.