Uitspraak
200807734/1/V6) ontneemt het leereffect aan de verrichte handelingen niet het arbeidskarakter. Uit de verklaring van de vreemdeling dat de stage een lange tijd duurde omdat hij nog geen verblijfsvergunning had, daarom nog niet gerechtigd was toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt en hij in verband hiermee al een aantal jaren in dezelfde klas zat, heeft de minister bovendien terecht afgeleid dat de stage fungeerde als een verkapte toetreding tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Vaststaat voorts dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 1g, aanhef en onder a, van het Besluit. Onder deze omstandigheden bestaat grond voor het oordeel dat het Noorderpoortcollege de vreemdeling feitelijk arbeid heeft laten verrichten bij [autobedrijf], dat de minister het college terecht heeft aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav en dat de uitzondering van artikel 1g, aanhef en onder a, van het Besluit niet van toepassing was.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.