Uitspraak
200802975/1), mag de minister in beginsel uitgaan van de juistheid van een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring en is dit slechts anders indien er bijzondere omstandigheden zijn.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling werkzaamheden verrichtte zonder tewerkstellingsvergunning.
Appellant stelde dat de boete onterecht was opgelegd en dat zij in haar procesvoering was geschaad door onjuiste vermelding van tijd en plaats van de overtreding. De rechtbank oordeelde echter dat uit het boeterapport en verklaringen duidelijk bleek welke overtreding werd verweten en dat appellant voldoende in staat was haar verdediging te voeren.
Verder betoogde appellant dat de vreemdeling slechts privé te gast was en niet in opdracht werkte. De Raad van State bevestigde dat feitelijk werkgeverschap niet afhankelijk is van een arbeidsovereenkomst, maar van het feit dat arbeid in opdracht of ten dienste van de werkgever is verricht. Verklaringen van betrokkenen bevestigden dat de vreemdeling werkzaamheden verrichtte voor appellant.
Ook de stellingen dat verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn, werden verworpen omdat de verklaringen onder ambtseed waren afgelegd en consistent waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €8.000 bevestigd.