Uitspraak
200703693/1, inzake de Tweede Coentunnel. Hetgeen Milieudefensie heeft aangevoerd is gelijkluidend aan hetgeen zij heeft aangevoerd in de procedure inzake de Tweede Coentunnel en geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dan in voormelde uitspraak. De Afdeling heeft in deze uitspraak voorts geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van het nut van en de noodzaak voor de aanleg van de Tweede Coentunnel. Nu vast staat dat de aanleg van de Tweede Coentunnel zonder de aanleg van de Westrandweg tot grote verkeersproblemen zal leiden, heeft de minister eveneens kunnen uitgaan van het nut van en de noodzaak voor de aanleg van de Westrandweg. Het betoog van Milieudefensie faalt.
200603425/1, dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van een wegdekcorrectiefactor vanwege de toepassing van zoab niet tot een onderschatting van de geluidbelasting leidt. Voorts acht de Afdeling van belang dat de minister heeft erkend dat vervuiling en slijtage van het zoab tot een afname van de geluidreducerende eigenschappen hiervan kan leiden. Hiermee is bij het berekenen van de geluidbelasting rekening gehouden en ter zitting heeft de minister aangegeven dat het zoab regelmatig zal worden gecontroleerd en zo nodig zal worden schoongemaakt en bij ernstige slijtage zal worden vervangen.