Het college van burgemeester en wethouders van Best trok bij besluit van 24 augustus 2001 de bouwvergunning in die op 21 september 1999 was verleend voor de bouw van een landhuis met garage. De intrekking betrof aanvankelijk zowel het landhuis als de garage, maar werd later beperkt tot het landhuis. De vergunninghouder, appellante, voerde bezwaar en beroep aan tegen deze intrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was de vergunning in te trekken op grond van artikel 59 vanPro de Woningwet en de gemeentelijke Bouwverordening, omdat de werkzaamheden langer dan 26 weken stil hadden gelegen.
Appellante stelde dat het college geen belang had bij intrekking omdat er geen gewijzigde planologische inzichten waren en dat het beoogde gebruik door een stichting als huurder of koper niet in strijd was met het bestemmingsplan. De Raad van State verwierp deze bezwaren, stellende dat het niet aannemelijk was dat binnen korte termijn gebruik zou worden gemaakt van de vergunning en dat het beoogde gebruik niet viel binnen de woonbestemming.
De Afdeling bevestigde dat het college redelijk heeft gehandeld om te voorkomen dat een slapende bouwvergunning zou ontstaan, en dat appellante onvoldoende concreet plan had overlegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bouwvergunning voor het landhuis wordt bevestigd wegens langdurige stillegging van de werkzaamheden.
Uitspraak
200806325/1/H1.
Datum uitspraak: 1 juli 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juli 2008 in zaak nr. AWB 07/1543 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Goeijers Gilze B.V.
en
het college van burgemeester en wethouders van Best.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) de bij besluit van 21 september 1999 aan [appellante] verleende bouwvergunning voor de bouw van een landhuis met garage op een perceel aan de [locatie] te Best (hierna: het perceel) ingetrokken.
Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat de bouw van de garage betreft en ongegrond wat de bouw van het landhuis betreft en het besluit van 24 augustus 2001 gewijzigd, in die zin dat de intrekking van de bouwvergunning van 21 september 1999 enkel betrekking heeft op het landhuis.
Bij uitspraak van 7 juli 2008, verzonden op 9 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 september 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Hassankhan, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.
Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, van de Bouwverordening van de gemeente Best (hierna: de Bouwverordening) kunnen burgemeester en wethouders op grond van artikel 59 vanPro de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
2.2. Vaststaat dat de werkzaamheden aan het landhuis langer dan zesentwintig weken hebben stilgelegen, zodat het college bevoegd was krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 4.1, aanhef en onder b, van de Bouwverordening, de daarvoor verleende bouwvergunning in te trekken.
Het college heeft de bouwvergunning ingetrokken, omdat volgens hem niet aannemelijk is dat daarvan op korte termijn gebruik zal worden gemaakt.
2.3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het college geen belang heeft bij de intrekking van de bouwvergunning, omdat zich geen gewijzigde planologische inzichten voordoen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 september 2003 in zaak nr. 200302060/1) vormt de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, een redelijk belang dat ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning.
2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik dat de stichting Stichting Dichterbij (hierna: de stichting) van het landhuis wenst te maken, als mogelijke koper of huurder, in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rustende woonbestemming, zodat niet aannemelijk is dat op korte termijn van de bouwvergunning gebruik zou worden gemaakt.
2.4.1. De stichting wenste het landhuis te gebruiken voor het huisvesten van haar cliënten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 november 2006 in zaak nr. 200601720/1) verdragen, naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Gelet op het verslag van een op 5 maart 2007 gehouden gesprek tussen vertegenwoordigers van de stichting en het college, waarin eerstgenoemden hebben aangegeven dat hun cliënten gezien hun gedrag en handicap niet zelfstandig kunnen functioneren, kan het door de stichting beoogde gebruik van het landhuis niet worden aangemerkt als nagenoeg zelfstandige bewoning. Nu [appellante] enkel in onderhandeling was met de stichting over de verhuur of verkoop van het landhuis en het door de stichting beoogde gebruik niet was toegestaan, lag ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen concreet en realiseerbaar plan voor dat was gericht op de bouw van de woning. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dat moment alsnog binnen korte termijn van de bouwvergunning gebruik zou maken. Aangezien het aan [appellante] was om dat aannemelijk te maken, was het college verder, anders dan [appellante] betoogt, niet gehouden haar na het gesprek van 5 maart 2007 uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen met andere partijen te onderhandelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals blijkt uit de brief van mr. J. van Groningen aan het college van 25 januari 2007, [appellante] ervan op de hoogte was dat dat gesprek zou plaatsvinden. De omstandigheid dat onderhandelingen met andere partijen nog moesten worden gevoerd, bevestigt bovendien dat zich niet de situatie voordeed dat op korte termijn met bouwen zou worden begonnen. Verder heeft [appellante] in zijn pleitnota in beroep aangegeven dat ten behoeve van het door de stichting beoogde gebruik van het landhuis primair getracht zou worden een verdubbeling van de bebouwing gerealiseerd te krijgen. Indien dat niet mogelijk zou zijn, zou de vergunde bebouwing uitgangspunt zijn. Ook dit wijst erop dat niet op korte termijn zou worden aangevangen met de bouw van het landhuis zoals dat was vergund.
Het betoog faalt.
2.5. Anders dan [appellante] ten slotte betoogt, heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de bij het landhuis behorende garage, waarvoor de bouwvergunning niet is ingetrokken, reeds is gerealiseerd en [appellante] een financieel belang heeft bij handhaving van de bouwvergunning, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de voor de bouw van het landhuis verleende bouwvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen intrekken. Gelet op de lange periode waarin [appellante] geen gebruik heeft gemaakt van de verleende bouwvergunning en de omstandigheid dat hij door het college uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld een concreet plan met betrekking tot het vergunde pand in te dienen, kon het college, ter voorkoming van het ontstaan van een slapende bouwvergunning, daartoe in redelijkheid overgaan.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.