Uitspraak
200606020/1) is de omstandigheid dat strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren in een werkomgeving of werksituatie, niet van doorslaggevend belang. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het erom gaat of het strafbare feit op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat.
200700615/1) is het hierin verwoorde beleid niet onredelijk. Gelet op het feit dat [appellant] is veroordeeld voor een zedendelict is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat ten aanzien van [appellant] sprake is van het risico als bedoeld in artikel 35 van Pro de Wjsg en zoals uitgewerkt in de circulaire. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat de minister niettemin tot afgifte van een VOG had moeten besluiten. Evenmin kan de omstandigheid dat [appellant] in 2004 wel een VOG heeft gekregen ten behoeve van de functie van afdelingsinspecteur bij de Dierenbescherming daartoe leiden. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat voor iedere aanvraag een afzonderlijke afweging moet worden gemaakt.