ECLI:NL:RVS:2009:BI9028
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bij vreemdelingenbewaring Surinaamse onderdaan
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling die op 7 maart 2009 in vreemdelingenbewaring werd gesteld en bezwaar maakte tegen de duur van deze bewaring vanwege onzekerheid over de datum van presentatie bij de Surinaamse autoriteiten.
De rechtbank had geoordeeld dat ondanks dat presentaties vaak meer dan zes maanden na inbewaringstelling plaatsvinden, er geen zicht ontbreekt op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dit omdat de staatssecretaris inspanningen verrichtte om het proces te versnellen, waaronder het sluiten van een Memorandum of Understanding met Suriname en het opzetten van een werkgroep voor uitvoeringsafspraken.
De vreemdeling stelde dat de wachttijd onredelijk lang was en dat sinds oktober 2008 geen laissez passer meer werden verstrekt, waardoor uitzetting niet binnen redelijke termijn mogelijk was. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht zonder nadere motivering heeft aangenomen dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, gelet op de reële vorderingen en initiatieven van de staatssecretaris.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak bevestigt dat de bewaring proportioneel kan zijn zolang zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat en er concrete inspanningen zijn om het proces te versnellen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd omdat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt.