ECLI:NL:RVS:2009:BI9019
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling en zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De vreemdeling is op 1 februari 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld met mededeling dat hij op 7 oktober 2009 bij de Surinaamse autoriteiten zou worden gepresenteerd. De staatssecretaris gaf aan dat deze datum indicatief was en dat eerder vrijkomende plaatsen op de wachtlijst mogelijk waren. De vreemdeling weigerde een vrijwilligersverklaring te ondertekenen zonder overleg met zijn raadsman.
De staatssecretaris heeft diplomatieke inspanningen verricht om de procedure voor vaststelling van nationaliteit en identiteit door Surinaamse autoriteiten te verbeteren, wat heeft geleid tot een Memorandum of Understanding en een nieuwe werkwijze sinds april 2009. Deze nieuwe procedure moet het onderzoek versnellen, hoewel dit nog niet schriftelijk is vastgelegd en de daadwerkelijke versnelling onzeker is.
De Raad van State oordeelt dat ten tijde van de inbewaringstelling een reële mogelijkheid bestond om de vreemdeling eerder te presenteren dan de gereserveerde datum. De nieuwe werkwijze sluit een verdere bespoediging niet uit. Daarom ontbreekt het aan grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak of is vervallen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling blijft gehandhaafd.