ECLI:NL:RVS:2009:BI8450
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- E.J.A. Idema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing huisvestingsvergunning Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees op 13 juni 2007 de aanvraag van appellanten voor een huisvestingsvergunning af. Appellanten maakten bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank Utrecht, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift geen concrete gronden bevatte zoals vereist volgens artikel 6:5 Awb Pro.
Appellanten voerden aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat zij wel degelijk gronden hadden aangevoerd, waaronder een onjuiste feitelijke weergave. De Raad van State oordeelde dat algemene verwijzingen naar beginselen van behoorlijk bestuur en vage stellingen over onjuiste feiten onvoldoende zijn als beroepsgrond.
Verder stelde appellanten dat de rechtbank de procedure had voortgezet en daarmee de termijnoverschrijding had geaccepteerd. De Raad van State stelde vast dat de rechtbank appellanten slechts had gevraagd naar de reden van de late indiening van gronden en dat het behandelen van deze gronden ter zitting niet verhinderde dat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad van State concludeerde dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en bevestigde de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de huisvestingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.