AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing huisvestingsvergunning Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees op 13 juni 2007 de aanvraag van appellanten voor een huisvestingsvergunning af. Appellanten maakten bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank Utrecht, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift geen concrete gronden bevatte zoals vereist volgens artikel 6:5 AwbPro.
Appellanten voerden aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat zij wel degelijk gronden hadden aangevoerd, waaronder een onjuiste feitelijke weergave. De Raad van State oordeelde dat algemene verwijzingen naar beginselen van behoorlijk bestuur en vage stellingen over onjuiste feiten onvoldoende zijn als beroepsgrond.
Verder stelde appellanten dat de rechtbank de procedure had voortgezet en daarmee de termijnoverschrijding had geaccepteerd. De Raad van State stelde vast dat de rechtbank appellanten slechts had gevraagd naar de reden van de late indiening van gronden en dat het behandelen van deze gronden ter zitting niet verhinderde dat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad van State concludeerde dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en bevestigde de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de huisvestingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitspraak
200808837/1/H3.
Datum uitspraak: 17 juni 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2008 in zaak nr. 08/135 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de aanvraag van [appellanten] voor een huisvestingsvergunning voor de woning [locatie] te Utrecht afgewezen.
Bij besluit van 6 december 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 oktober 2008, verzonden op 29 oktober 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 april 2009 hebben [appellanten] een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door E. Siemeling, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij brief van 12 januari 2008 hebben [appellanten] bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 14 januari 2008 heeft de rechtbank [appellanten] in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep binnen vier weken na dagtekening van die brief kenbaar te maken.
De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift van 12 januari 2008 naar haar oordeel geen gronden bevat, zoals vereist ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), maar slechts de vermelding dat sprake is van strijdigheid met een aantal beginselen van behoorlijk bestuur. [appellanten] hebben dit verzuim niet binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijn hersteld.
2.2. [appellanten] betogen in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hun beroepschrift van 12 januari 2008 geen gronden bevat, nu zij in dit beroepschrift hebben aangevoerd dat het besluit van 6 december 2007 berust op een onjuiste weergave van de feiten.
2.2.1. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 1997 (zaak nr. H01.96.1209; LJN ZF2983), kan het in algemene termen vermelden van een aantal beginselen van behoorlijk bestuur niet worden beschouwd als grond, zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Ook de enkele stelling dat een besluit berust op een onjuiste weergave van de feiten, zonder daarbij enig feit in het bijzonder te noemen, kan niet worden beschouwd als grond.
2.3. [appellanten] betogen voorts, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2002 (zaak nr. 200102611/1; AB 2002, 273) en 8 oktober 2004 (zaak nr. 200406834/1), dat de rechtbank heeft miskend dat zij, doordat zij na afloop van de gestelde termijn voor het indienen van gronden de procedure heeft voortgezet de kans heeft geboden alsnog schriftelijk en mondeling met gronden te komen en deze gronden inhoudelijk heeft behandeld, het beroep niet meer wegens de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mocht verklaren.
2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen waren op de laatste dag van de door de rechtbank gestelde termijn de gronden van het beroep niet bij haar ingediend. Bij brief van 14 februari 2008 heeft de rechtbank [appellanten] in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na dagtekening van die brief mee te delen om welke reden de gronden van het beroep niet tijdig waren ingediend. Bij brief van 19 februari 2008 hebben [appellanten] de gronden van het beroep ingediend en antwoord gegeven op de vraag waarom de gronden van het beroep niet tijdig waren ingediend. Anders dan [appellanten] aanvoeren heeft de rechtbank, na afloop van de door de haar gestelde termijn voor het indienen van de gronden, de procedure niet voortgezet door hen in de gelegenheid te stellen alsnog gronden aan te voeren maar heeft de rechtbank hun slechts gevraagd naar de reden voor het niet tijdig indienen van de beroepsgronden. De omstandigheid dat de rechtbank de tardief ingediende gronden ter zitting heeft behandeld stond aan de niet-ontvankelijk verklaring niet in de weg. Het betoog faalt derhalve.
2.4. Het betoog van [appellanten] dat artikel 6:6 vanPro de Awb niet verplicht tot de niet-ontvankelijk verklaring van hun beroep en deze niet-ontvankelijk verklaring achterwege kon blijven omdat een goede beoordeling van hun beroep mogelijk was, faalt evenzeer. De door hen gestelde mogelijkheid van het aanvullen van de gronden ter zitting, laat de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, neergelegde eis onverlet. Nu hieraan niet was voldaan, heeft de rechtbank het beroep ingevolge artikel 6:6 vanPro de Awb niet-ontvankelijk mogen verklaren. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de rechtbank hiervan had moeten afzien.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.