Uitspraak
200802629/1), is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftenprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.7.1. vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
200803215/1), dient in zaken zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn in geschonden, de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mogen duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.
200608140/1), wordt, behoudens onder bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn verondersteld. Die veronderstelling is in dit geval niet gerechtvaardigd. Niet aannemelijk is dat NPO door de lengte van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank, die drie jaar en ruim vier maanden heeft geduurd, zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat NPO, nadat zij op 1 augustus 2005 beroep bij de rechtbank had ingesteld, eerst bij brief van 20 december 2005 de gronden van haar beroep heeft ingediend. Weliswaar heeft de rechtbank NPO eerst bij brief van 23 november 2005 een termijn gesteld voor het indienen van de gronden van haar beroep, maar dat had NPO er, met het oog op een voortvarende voortgang van de zaak, niet van behoeven te weerhouden die gronden eerder in te dienen dan zij heeft gedaan. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de vaststelling door de Afdeling dat de redelijke termijn is overschreden in dit geval als een voldoende genoegdoening moet worden aangemerkt.