Uitspraak
200505857/1) verbiedt geen rechtsregel dat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van dat besluit zijn aangevoerd
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Epe verleende een bouwvergunning voor een bedrijfsgebouw ten behoeve van een paardenhouderij op een perceel met de bestemming 'agrarische bedrijfsdoeleinden'. Appellanten stelden dat het bouwplan niet overeenkomt met de bestemming omdat het bedrijf ook paarden opfokt en traint, wat volgens hen buiten de agrarische definitie valt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het bouwplan wel degelijk binnen de bestemming past. Uit de stukken bleek dat het bedrijf hoofdzakelijk gericht is op het produceren van paarden, wat valt onder een agrarisch bedrijf volgens de planvoorschriften. Tevens werd vastgesteld dat het bedrijf als reëel agrarisch bedrijf kan worden beschouwd, mede op basis van deskundigenadviezen en financiële berekeningen.
De Raad verwierp de bezwaren van appellanten en bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank Zutphen dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en de relevante wetgeving. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bouwvergunning wordt bevestigd.