ECLI:NL:RVS:2009:BH6112
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring na vaststelling toepasselijkheid artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, welke is afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Vervolgens is eiser ongewenst verklaard door de minister. Eiser stelde dat hij de tegenwerping van artikel 1F opnieuw aan de orde moest kunnen stellen in de procedure tegen de ongewenstverklaring.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de ongewenstverklaring is genomen nadat de verblijfsrechtelijke procedure was afgerond en dat de toepasselijkheid van artikel 1F reeds in rechte vaststond. Omdat de verlening van een verblijfsvergunning niet werd verhinderd door de ongewenstverklaring zelf, maar door de reeds vaststaande toepassing van artikel 1F, kon de tegenwerping niet opnieuw aan de orde worden gesteld.
De rechtbank had dit terecht als een vaststaand gegeven beschouwd, mede omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de ongewenstverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.