ECLI:NL:RVS:2009:BH5070
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op opvang na uitgeprocedeerde asielaanvraag en voorlopige maatregel HRC
De vreemdeling heeft na afwijzing van zijn asielaanvraag en uitputting van nationale rechtsmiddelen een klacht ingediend bij het Human Rights Committee (HRC) van de Verenigde Naties. Het HRC heeft een voorlopige maatregel getroffen die opschorting van uitzetting beoogt. De vreemdeling verzocht daarop het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005).
De voorzieningenrechter wees dit verzoek af, stellende dat de voorlopige maatregel van het HRC geen recht op opvang creëert en dat de vreemdeling niet voldeed aan de criteria van artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005, waaronder het feitelijk in dezelfde situatie verkeren als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat de voorlopige maatregel van het HRC niet gelijkgesteld kan worden met een zeer bijzondere omstandigheid die opvang rechtvaardigt.
Verder oordeelt de Raad dat de asielprocedure op nationaal niveau definitief is afgesloten, ondanks de lopende klacht bij het HRC, en dat de vreemdeling daardoor niet onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn valt. De persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder zijn gezondheid, zijn onvoldoende onderbouwd om opvang te rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd, zij het met verbetering van de motivering. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van opvang wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.