Uitspraak
200603734/1) kan niet worden geoordeeld dat het in de Regeling neergelegde bevriezingsbeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende aan appellant een speciale ligplaatsvergunning voor zijn woonboot op locatie 1. Later werd deze vergunning ingetrokken en werd een nieuwe vergunning verleend voor locatie 2. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, die door het college werden afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde een deel van het beroep niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit op bezwaar van 7 februari 2007 voor zover het ging om de intrekking van de vergunning voor locatie 1.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van 11 september 2006, waarbij de vergunning voor locatie 2 werd verleend en de vergunning voor locatie 1 werd ingetrokken, als een wijziging van het eerdere besluit moest worden beschouwd. Hierdoor had appellant belang bij beroep tegen dit besluit. De rechtbank had dit niet juist beoordeeld en had het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 september 2006 niet inhoudelijk mogen negeren.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van het besluit van 7 februari 2007 dat het bezwaar tegen de vergunning voor locatie 2 betrof en verklaarde het hoger beroep gegrond. Het beroep tegen de vergunning voor locatie 2 werd inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. Ook het beroep tegen een vergunning van 6 juli 2007 werd ongegrond verklaard. Tot slot werd het door appellant betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, een deel van het besluit op bezwaar wordt vernietigd en het beroep tegen de vergunning voor locatie 2 wordt ongegrond verklaard.