ECLI:NL:RVS:2009:BH3689
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling werd op 8 november 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na een vertrekgesprek op 19 november 2008 heeft de staatssecretaris geen verdere voortvarende handelingen ter voorbereiding van de uitzetting verricht. De rechtbank oordeelde onterecht dat de bewaring pas na twee weken onrechtmatig werd.
De Raad van State stelde vast dat de bewaring onrechtmatig werd vanaf 20 november 2008, de dag na het vertrekgesprek, omdat sindsdien geen uitzettingshandelingen meer werden verricht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding van €1.120 aan de vreemdeling en tot vergoeding van proceskosten van €966. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing achterwege kon blijven.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd onrechtmatig verklaard vanaf 20 november 2008 en de Staat werd veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten.