200803951/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2008 in zaak nr. 07/3914 in het geding tussen:
de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.
Bij besluit van 30 november 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: de raad) een aanvraag van [appellante] om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 10 mei 2007 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 21 april 2008, verzonden op 23 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2008, hoger beroep ingesteld.
De raad heeft bericht geen verweerschrift in te dienen.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar [appellante] is verschenen.
2.1. Vast staat dat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij, advocaat te Capelle aan den IJssel, (hierna: Van Swaaij) als gemachtigde van [appellante] de onderhavige aanvraag om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand heeft ingediend.
2.2. [appellante] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat de raad het door haar gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Zij voert hiertoe aan dat deze overschrijding verschoonbaar is, nu Van Swaaij haar geen kopie van dat besluit of een brief hierover heeft toegezonden.
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2007 in zaak nr. 200703442/1; www.raadvanstate.nl), vloeit uit artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (PG Awb I, p. 167) en artikel 6:17 van de Awb, voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Hiervoor is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belanghebbende zelf is gestuurd.
2.2.2. Het besluit van 30 november 2006 is, naar de raad onweersproken heeft gesteld, op 1 december 2006 verzonden aan Van Swaaij, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 2 december 2006 en geëindigd op 12 januari 2007. [appellante] heeft bij brief van 8 februari 2007, bij de raad binnengekomen op 28 februari 2007, en derhalve na het verstrijken van deze termijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 november 2006.
Dat Van Swaaij, naar [appellante] heeft aangevoerd, haar geen kopie van dit besluit heeft toegezonden of haar anderszins ervan in kennis heeft gesteld, biedt, wat hier verder ook van zij, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Deze door [appellante] gestelde omstandigheid dient voor haar rekening en risico te komen. Ook hetgeen overigens door haar in hoger beroep is gesteld, is onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.
w.g. Wortmann w.g. Groenendijk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009