ECLI:NL:RVS:2009:BH3236

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802014/1/M2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • H. Borstlap
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheerWet bodembeschermingNVN 5725NEN 5740
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling instemming college met plan van aanpak bodemonderzoek gemeentewerf Purmerend

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft op 8 oktober 2007 ingestemd met het plan van aanpak voor een nulsituatie-bodemonderzoek bij de gemeentewerf aan de Van IJsendijkstraat in Purmerend. Appellant maakte bezwaar tegen deze instemming, stellende dat het bodemonderzoek gebrekkig was uitgevoerd en dat het plan van aanpak onjuist was ingediend nadat het bodemonderzoek al had plaatsgevonden.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij zitting op 19 januari 2009 de zaak behandeld waarbij appellant en vertegenwoordigers van het college en de gemeente Purmerend aanwezig waren. De Afdeling overwoog dat in deze procedure alleen de instemming met het plan van aanpak aan de orde is, en niet de beoordeling van het feitelijke bodemrapport van Tauw BV.

De Afdeling concludeerde dat de onderzoeksstrategie in het plan van aanpak in overeenstemming is met de geldende voorschriften en normen, en dat de kritiek van appellant op het uitgevoerde bodemonderzoek geen aanleiding geeft tot het oordeel dat het plan van aanpak niet voldoet. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot instemming met het plan van aanpak bodemonderzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200802014/1/M2.
Datum uitspraak: 18 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) ingestemd met het door de gemeente Purmerend ingediende plan van aanpak met betrekking tot de uitvoering van een nulsituatie-bodemonderzoek ter plaatse van de gemeentewerf aan de Van IJsendijkstraat 186 en 417 te Purmerend.
Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en A.M. Westerbeek, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Purmerend, vertegenwoordigd door mr. S.Y. den Dopper en drs. A. Azzouz, beiden werkzaam bij de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge voorschrift 4.4 van de voor de gemeentewerf krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning moet uiterlijk drie maanden nadat de beschikking in werking is getreden door vergunninghoud(st)er op terreindelen waar potentieel bodemverontreinigende handelingen of activiteiten plaatsvinden of zullen plaatsvinden, de bodem op aard en mate van verontreiniging zijn onderzocht.
Ingevolge voorschrift 4.6, voor zover thans van belang, moet een onderzoek als bedoeld in voorschrift 4.4 voldoen aan de eisen gesteld in de Wet bodembescherming, aan de Nederlandse Voornorm 5725 (NVN 5725 uitgave van de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, Delft 1999) en aan de Nederlandse Norm 5740 (NEN 5740 uitgave van de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, Delft 1999), vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek.
Ingevolge voorschrift 4.7, onder a, voor zover thans van belang, moet uiterlijk acht weken voor de voorgenomen aanvangsdatum van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 4.4 een onderzoeksplan schriftelijk aan gedeputeerde staten ter goedkeuring zijn voorgelegd.
2.2. [appellant] stelt dat het college ten onrechte het standpunt inneemt dat met een rapport van bodemonderzoek van Tauw BV van 28 april 2006 wordt voldaan aan de voorschriften 4.4 en 4.6. Volgens [appellant] is dit onderzoek gebrekkig uitgevoerd. [appellant] acht het onjuist dat de indiening van en instemming met het plan van aanpak plaatsvinden nadat het bodemonderzoek feitelijk reeds is uitgevoerd.
2.3. De Afdeling overweegt dat in deze procedure enkel ter beoordeling staat of het college heeft kunnen instemmen met het plan van aanpak. Daarbij is de vraag aan de orde of, zoals het college stelt, de in het plan van aanpak vervatte onderzoeksstrategie in overeenstemming is met de in voorschrift 4.6 genoemde normen. Of het rapport van Tauw BV van 28 april 2006 in overeenstemming is met de voorschriften 4.4 en 4.6 en door de gemeente Purmerend kan worden overgelegd ter uitvoering van het plan van aanpak, staat in deze procedure niet ter beoordeling. In de door [appellant] geuite kritiek op het feitelijk door Tauw BV uitgevoerde bodemonderzoek ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan van aanpak vervatte onderzoeksstrategie niet in overeenstemming is met de in voorschrift 4.6 genoemde normen.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. J.H. van Kreveld, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009
462.