Uitspraak
200801825/1, betrekking hebbend op de op 19 december 2006 verleende bouwvergunning voor de bouw van twee kalverenschuren op het perceel, heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de omstandigheid dat het bedrijf van [vergunninghouder] thans geen volwaardig bedrijf is in de weg staat aan de uitbreiding daarvan. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de voorziene bouw van twee kalverenschuren niet noodzakelijk is ten behoeve van een duurzame ontwikkeling van het bedrijf uit een oogpunt van rendabele bedrijfsvoering en uit een oogpunt van milieu. Hetgeen [appellanten] in de onderhavige procedure hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding thans anders te overwegen.
200602301/1) wordt bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel in beginsel uitgegaan van kadastrale percelen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan een kadastrale grens de omvang van een bouwperceel dus beperken. Voor het oordeel dat in dit geval moet worden uitgegaan van een kleiner bouwperceel dan 1 hectare, heeft de rechtbank evenwel terecht geen aanleiding gevonden. Vaststaat dat het perceel van [vergunninghouder] een kadastrale omvang heeft van 10.263 m2 en dat dit perceel aldus ruimte biedt aan een bouwperceel van 1 hectare. Niet in geschil is dat de bebouwing op het perceel met inbegrip van de in het bouwplan voorziene vergroting van de kalverenschuren minder dan 5000 m2 bedraagt. Daarbij kan in het midden worden gelaten of de bodem van de sleufsilo al dan niet moet worden meegeteld, nu ook met inbegrip van die bodem de totale bebouwing de 5000 m2 niet overschrijdt. Voor het oordeel dat ten gevolge van het bouwplan het maximum bebouwingspercentage van 50 wordt overschreden, bestaat derhalve geen grond.