ECLI:NL:RVS:2009:BH2031
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring en zicht op gedwongen uitzetting naar Afghanistan
De vreemdeling werd op 13 november 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het Memorandum of Understanding (MoU) tussen Nederland, Afghanistan en de UNHCR gedwongen verwijdering van Afghaanse vreemdelingen naar Afghanistan uitsluit. De vreemdeling stelde dat het MoU gedwongen uitzetting met gebruik van een EU-staat verbiedt en dat hij niet bereid was vrijwillig terug te keren, waardoor zicht op uitzetting ontbrak.
De Raad van State oordeelde dat het MoU gedwongen verwijdering juist expliciet mogelijk maakt, zoals blijkt uit de zevende alinea van paragraaf drie van het MoU. Ook werd vastgesteld dat de Afghaanse autoriteiten vreemdelingen die met behulp van een EU-staat terugkeren niet de toegang weigeren. De verklaringen van het Consulaat-Generaal werden niet in de door de vreemdeling voorgestane betekenis aanvaard.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring bevestigd.