Uitspraak
200708288/1) dient dan van de toepasselijkheid van artikel 17, eerste lid, van het Bevi uit te worden gegaan.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen heeft bij besluit van 1 februari 2008 de milieuvergunning voor een herstelinrichting en verkooppunt van motorbrandstoffen, inclusief LPG, gedeeltelijk ingetrokken vanwege ontoelaatbaar nadelige milieugevolgen. Deze intrekking betrof met name de opslag en verkoop van LPG, omdat het vulpunt niet voldeed aan het afstandsvereiste van 25 meter tot kwetsbare objecten zoals voorgeschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Appellante stelde dat de intrekking te ver ging en dat de situatie ook opgelost kon worden door wijziging van de vergunning of door een aangevraagde veranderingsvergunning voor het verplaatsen van het vulpunt. De Raad van State oordeelde dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de inrichting ontoelaatbare milieugevolgen veroorzaakte en dat toepassing van artikel 8.23 Wm geen redelijke oplossing bood.
Echter, door de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken voordat op de aanvraag om een veranderingsvergunning was beslist, heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellante. Dit is strijdig met het rechtsbeginsel van zorgvuldigheid. Daarom vernietigt de Raad van State het besluit tot gedeeltelijke intrekking en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning wordt vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.