Uitspraak
200600591/1, die betrekking heeft op een ander geval, maakt voor de beslissing in deze zaak geen verschil. Uit laatstgenoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat thans geen betekenis meer toekomt aan de hiervoor aangehaalde overweging in de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2006. Het college heeft zich in het besluit van 10 april 2007 op het standpunt gesteld dat de financiële bijdrage zal worden aangewend voor de medefinanciering van openbare parkeervoorzieningen in het centrum. Ter zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren van bezoekers van de appartementen, kan, anders dan [vergunninghoudster], [appellante sub 1 A] en het college stellen, niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.