Uitspraak
200303118/1heeft de Afdeling het besluit van provinciale staten van Limburg tot vaststelling van de "POL-aanvulling 't Rooth" vernietigd voor zover het de daarin vervatte cbb tot aanwijzing van een gebied voor kalksteenwinning ter grootte van ongeveer 17 hectare betrof. Destijds stelde het provinciaal beleid echter strengere eisen aan ingrepen in het gebied dan thans het geval is. Voorts was, gezien de oppervlakte van het gebied van 17 hectare, de m.e.r.-beoordelingsprocedure niet op de juiste wijze doorlopen. Uit deze uitspraak volgt niet dat uitbreiding van de groeve 't Rooth in een kleinere omvang dan in die uitspraak aan de orde was, in het geheel niet mogelijk is. Voor zover de stichting en anderen betogen dat [belanghebbende] in deze uitspraak aanleiding hadden moeten zien om over te schakelen op alternatieven voor de winning van kalksteen in groeve 't Rooth en dat provinciale staten het belang van [belanghebbende] bij voortzetting van de winning van kalksteen daarom niet hadden mogen meewegen bij de afweging van de bij de bestreden cbb betrokken belangen, faalt dit betoog dan ook.
200604026/1, is artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voor wel op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatste, maar nog niet aangewezen Habitatrichtlijngebieden, in de Nbw 1998 vooralsnog incorrect geïmplementeerd. Niet is gebleken dat op de cbb anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing zijn die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals de Afdeling op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2000 in de zaak Texel (E01.97.0178; AB 2000/302) moet, alvorens wordt toegekomen aan de vraag of een artikel van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. Een dergelijke mogelijkheid doet zich in dit geval niet voor. De Afdeling ziet evenwel geen beletsel om artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in dit geval rechtstreeks toe te passen.