ECLI:NL:RVS:2009:BH0425

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200808606/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.23 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrechtArtikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen wijziging milieuregels opslag en stofverspreiding

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland wijzigde op 2 oktober 2008 de milieuvergunningen van een inrichting van verzoekster, waarbij nieuwe voorschriften werden gesteld over de opslag van bulkgoederen en het voorkomen van stofverspreiding.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de voorschriften 1.2.1, 1.3.1 en 1.3.2, omdat deze tot rechtsonzekerheid zouden leiden en niet noodzakelijk zouden zijn voor milieubescherming. De voorzitter oordeelde dat voorschrift 1.2.1 duidelijk is, maar dat de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 onduidelijk zijn omdat zij niet expliciet beperken tot het buitenterrein van de inrichting.

Daarom werd het besluit voor zover deze voorschriften betroffen geschorst bij wijze van voorlopige voorziening. Het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en deskundigen werd afgewezen, behalve een geringe proceskostenvergoeding en het griffierecht werden toegewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en duidelijkheid in milieuregels om rechtsonzekerheid te voorkomen.

Uitkomst: Voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 van het wijzigingsbesluit zijn geschorst wegens onduidelijkheid; overige verzoeken worden afgewezen.

Uitspraak

200808606/2.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen voor de inrichting van [verzoekster] gelegen aan de [locatie], gewijzigd. Dit besluit is op 23 oktober 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2008, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 december 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door ing. M. Hillmann en J. van Renssen, en het college, vertegenwoordigd door P.W.T. Rosendaal en
Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoekster] kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.2.1, 1.3.1 en 1.3.2. Zij voert aan dat de voorschriften 1.2.1 en 1.3.1 tot rechtsonzekerheid leiden, daar onduidelijk is wanneer in voldoende mate aan deze voorschriften wordt voldaan. Voorts zijn deze voorschriften volgens haar niet nodig ter bescherming van het milieu. Daarnaast blijkt uit de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 ten onrechte niet dat deze voorschriften alleen van toepassing zijn op het buitenterrein van de inrichting, aldus [verzoekster].
2.2.1. In voorschrift 1.2.1 is bepaald dat bulkgoederen in de buitenlucht zodanig moeten worden opgeslagen dat wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.
In voorschrift 1.3.1 is bepaald dat handelingen met stoffen die leiden tot een met het blote oog waarneembare stofverspreiding over een afstand van meer dan 2 meter van de bron niet mogen worden uitgevoerd.
In voorschrift 1.3.2 is bepaald dat stoffen, zoals genoemd in voorschrift 1.2.2, die bij enige handeling binnen of buiten de inrichting worden gemorst, zo vaak als nodig, maar ten minste eenmaal per dag moeten worden opgeruimd.
2.2.2. De voorzitter is van oordeel dat in voorschrift 1.2.1 geen ongebruikelijke norm is neergelegd en dat het voorschrift geen zodanige onduidelijkheden bevat dat dit tot rechtsonzekerheid leidt. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Door het college is ter zitting aangegeven dat met de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 is beoogd om verspreiding van stof op het buitenterrein van de inrichting tegen te gaan zodat stofverspreiding buiten de inrichting wordt voorkomen. Uit de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 blijkt echter niet dat zij enkel zien op handelingen die op het buitenterrein van de inrichting plaats vinden. Het bestreden besluit verdraagt zich, wat deze voorschriften betreft, in zoverre niet met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.
2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om het college te veroordelen in de kosten van de door ing. M. Hillmann, werkzaam bij het adviesbureau Hillmann Integrale Bedrijfsmilieuzorg, verleende rechtsbijstand, overweegt de voorzitter het volgende. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet aannemelijk is geworden dat de door ing. M. Hillmann verleende rechtsbijstand een bestendig onderdeel uitmaakt van haar adviserende werkzaamheden, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om het college te veroordelen in de kosten voor het meebrengen van een deskundige, overweegt de voorzitter dat van het meebrengen van een deskundige niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mededeling gedaan, zodat de voorzitter betrokkene als gemachtigde van [verzoekster] beschouwt. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom ook in zoverre afgewezen.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 oktober 2008, kenmerk MPM 13836, voor zover het de voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 betreft;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,08 (zegge: negenendertig euro en acht cent); het dient door de provincie Gelderland aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de provincie Gelderland aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
407-578.