Uitspraak
200600357/1heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 juni 2005 vernietigd.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuws-Vlaanderen legde appellant een last op om binnen drie dagen materieel, machines en werkzaamheden ten behoeve van waterhuishouding toe te laten op zijn perceel. Appellant maakte bezwaar tegen deze last, omdat hij volgens het beurtelings schema niet aan de beurt was en omdat de aanpalende percelen beplantingen en bebouwingen bevatten die het onderhoud bemoeilijken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Het waterschap handhaafde dat het verwijderen van de beplantingen op de aanpalende percelen tot aanzienlijke kosten zou leiden en dat de last terecht was opgelegd.
De Raad van State oordeelde dat het waterschap voldoende had gemotiveerd waarom het van de vaste gedragslijn was afgeweken en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de jaarlijkse last tot onevenredige belasting zou leiden. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.