Uitspraak
200600498/1, heeft de Afdeling het hiertegen ingestelde beroep van [appellanten], voor zover ontvankelijk, gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
200601869/1), behoeft de geluidimmissie vanwege bewegingen van de scheepvaart, inclusief de manoeuvreerbewegingen, op een vaarweg van en naar inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden. Gelet hierop heeft het college de geluidbelasting van deze scheepvaartbewegingen op goede gronden niet betrokken bij de bepaling van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein en bij de toetsing aan de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone.
200505054/1) komt aan het college in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer beoordelingsvrijheid toe om lagere geluidgrenswaarden aan de vergunning te verbinden dan nodig om te kunnen voldoen aan de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat, wat de inrichtingen van SIF Group B.V. en [bedrijf 1] betreft, ten tijde van het bestreden besluit kon worden gesproken van redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen en deze slechts inpasbaar zouden zijn in de geluidzone wanneer aan [vergunninghouder] een geringere geluidbijdrage was toegestaan dan bij het bestreden besluit is geschied, ziet de Afdeling, gelet op de aan het college toekomende vrijheid ten aanzien van de verdeling van de geluidruimte binnen de geluidzone, geen aanleiding voor het oordeel dat het college met het oog op bedoelde ontwikkelingen in redelijkheid lagere dan de thans gestelde geluidgrenswaarden aan de vergunning van [vergunninghouder] had behoren te verbinden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.