ECLI:NL:RVS:2008:BG6760
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken nieuw gebleken feiten
De staatssecretaris van Justitie heeft op 3 juli 2008 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage had dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het besluit van 3 juli 2008 gelijk van strekking is aan een eerder afwijzend besluit van 12 juli 2006. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijk besluit slechts door de bestuursrechter worden getoetst indien er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die afkomstig zijn uit een objectieve bron.
De voorzieningenrechter had geoordeeld dat een brief van de vader van de vreemdeling en een brief van haar gemachtigde nieuwe feiten bevatten. De Raad van State stelde echter vast dat deze brieven niet uit objectieve bronnen afkomstig zijn en bovendien niet worden ondersteund door concreet bewijs. Daarom kunnen deze niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.