ECLI:NL:RVS:2008:BG5674
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring wegens voldoende zicht op uitzetting naar China
De vreemdeling werd op 27 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar China omdat hij geen contact had met zijn oom die in bezit was van zijn paspoort en dat het verkrijgen van een laissez passer onwaarschijnlijk was. De rechtbank had echter geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alleen met een laissez passer kon worden uitgezet en dat hij onvoldoende inspanningen had verricht om zijn paspoort te verkrijgen.
De Raad van State bevestigde dat van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij actief meewerkt aan het verkrijgen van benodigde documenten en dat hij controleerbare inspanningen verricht om uitzetting mogelijk te maken. Omdat de vreemdeling dit niet aannemelijk had gemaakt, was het zicht op uitzetting voldoende aanwezig. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt bevestigd vanwege voldoende zicht op uitzetting binnen redelijke termijn; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.