ECLI:NL:RVS:2008:BG5640
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring wegens schending EVRM artikel 3 en 8
De vreemdeling werd op 23 juni 2006 ongewenst verklaard door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarna de staatssecretaris van Justitie het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat een beroep op artikel 3 EVRM Pro niet thuishoort in de procedure tegen de ongewenstverklaring. De staatssecretaris had onterecht gesteld dat een asielaanvraag de juiste weg is voor bescherming tegen risico's als bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. Daarnaast werd vastgesteld dat de rechtbank en het bestuursorgaan onvoldoende rekening hadden gehouden met het vermoeden van objectieve belemmering van het gezinsleven van de vreemdeling, vanwege het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Somalië zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd erkend dat het besluit tot ongewenstverklaring niet voldeed aan de vereisten van toetsing aan de artikelen 3 en 8 EVRM en het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende toetsing aan artikel 3 en 8 EVRM en het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië.