ECLI:NL:RVS:2008:BG5305

Raad van State

Datum uitspraak
18 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200807365/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • W.G. Timmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake vergunning voor veehouderij in Neder-Betuwe

Op 12 augustus 2008 verleende het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit werd op 4 september 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] op 3 oktober 2008 beroep ingesteld bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, K. Brink, heeft het verzoek op 11 november 2008 ter zitting behandeld, waar [verzoekers] in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. van der Velden en ing. R.J.M. Kerkhof, aanwezig waren.

De voorzitter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen. Dit oordeel was voorlopig en niet bindend voor de bodemprocedure. De voorzitter stelde vast dat de vergunning was verleend voor het houden van 4620 gespeende biggen in een stal met een chemisch luchtwassysteem, maar dat de benodigde bouwvergunning nog niet was aangevraagd. Hierdoor was het niet aannemelijk dat de bouwvergunning op korte termijn zou worden verleend, wat betekende dat de oprichtingsvergunning niet in werking kon treden. Er was geen sprake van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening vereiste.

Daarom wees de voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 18 november 2008.

Uitspraak

200807365/2.
Datum uitspraak: 18 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 september 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2008, beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2008, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. van der Velden en ing. R.J.M. Kerkhof, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij het bestreden besluit is krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 4620 gespeende biggen in een stal die is voorzien van een chemisch luchtwassysteem. Ter zitting is gebleken dat de voor deze stal benodigde bouwvergunning nog niet is aangevraagd.
Het is gezien het vorenstaande niet aannemelijk dat op korte termijn een bouwvergunning wordt verleend. Zo lang geen bouwvergunning is verleend, treedt het bestreden besluit tot verlening van de oprichtingsvergunning ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking. Er is dus geen sprake van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die een voorlopige voorziening vergt. De voorzitter ziet geen aanleiding om in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.
2.3. De voorzitter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Timmerman
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2008
431.