Uitspraak
200508021/1) kan de vrijstellingsbevoegdheid krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro niet worden aangewend voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik dat slechts mogelijk is geworden door bouwvergunningplichtige bouwwerkzaamheden. Ter zitting van de Afdeling is door de vertegenwoordiger van het college erkend dat met het oog op het gebruik van de panden, die voorheen beide als winkel in gebruik waren, als restaurant, bouwkundige voorzieningen zijn aangebracht. Reeds omdat met het aanbrengen van die voorzieningen is beoogd het gebruik van de panden te wijzigen, kan het aanbrengen daarvan niet worden aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, met welk oordeel wordt aangesloten bij vaste jurisprudentie van de Afdeling (vergelijk onder meer de uitspraken van 19 juli 2006, in zaak nr.
200508769/1en 16 januari 2008, in zaak nr.
200702963/1, zodat daarvoor een bouwvergunning is vereist. Bij brief van 19 september 2008 heeft het college medegedeeld dat voor de aangebrachte voorzieningen geen bouwvergunning is verleend.