ECLI:NL:RVS:2008:BG3835
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
Op 4 september 2008 werd de vreemdeling J. Huang in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. De staatssecretaris van Justitie stelde hiertegen hoger beroep in.
De Raad van State overwoog dat het overleg tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten over de afgifte van laissez passer geen concrete aanknopingspunten bood voor een spoedige uitzetting. De rechtbank had terecht vastgesteld dat op het moment van inbewaringstelling geen zicht op uitzetting bestond en dat er geen aanleiding was tot nader onderzoek.
De Raad van State verwierp het betoog van de staatssecretaris dat de vreemdeling al het mogelijke had gedaan om een vervangend reisdocument te verkrijgen, omdat dit verweer te laat was ingebracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het zicht op uitzetting ontbrak en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.