ECLI:NL:RVS:2008:BF8571
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Onjuiste toepassing artikel 4:5 Awb leidt tot hernieuwde beslissing op bezwaar vreemdeling
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage die het besluit tot buiten behandeling stellen van een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning vernietigde. De staatssecretaris stelde dat de aanvraag terecht buiten behandeling was gesteld omdat de vreemdeling niet tijdig de leges had voldaan, conform artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de brief van 16 maart 2006, waarin de vreemdeling werd gewezen op de verschuldigdheid van leges, daadwerkelijk was verzonden. Wel was de brief van 13 april 2006, een herinneringsbrief, aantoonbaar verzonden. Omdat de brief van 16 maart 2006 ontbrak, was niet voldaan aan de vereiste procedurele stappen om de aanvraag buiten behandeling te stellen.
Daarnaast bleek dat de vreemdeling de leges alsnog had voldaan voordat op het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling werd beslist. Hierdoor was het niet toegestaan om de aanvraag opnieuw buiten behandeling te stellen. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en bepaalde dat de staatssecretaris opnieuw op het bezwaar moet beslissen.
Tot slot veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en legde een griffierecht op aan de Staat der Nederlanden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de aanvraag onterecht buiten behandeling is gesteld en bepaalt dat de staatssecretaris opnieuw op het bezwaar moet beslissen.