ECLI:NL:RVS:2008:BF8567
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende duurzame bestaansmiddelen bij aanvraag verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke aanvankelijk werd afgewezen. De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en de ingangsdatum van de vergunning vastgesteld op 9 december 2005, op grond van de arbeidsovereenkomst van de echtgenote (referente).
De staatssecretaris stelde echter dat niet was aangetoond dat de middelen van bestaan duurzaam waren, omdat de arbeidsovereenkomst op 14 februari 2006 zou eindigen en de verlenging met vijf maanden slechts een intentieverklaring was zonder bindende toezegging. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling voldoende had aangetoond dat de middelen van bestaan voor minimaal zes maanden beschikbaar zouden zijn.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 december 2007 werd ongegrond verklaard. De overige beroepsgronden werden buiten beschouwing gelaten omdat daarover door de rechtbank reeds een oordeel was gegeven en in hoger beroep niet was opgekomen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 oktober 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard wegens onvoldoende aantonen van duurzame bestaansmiddelen.