Uitspraak
200608432/1), de draagkracht voor de verschuldigdheid van die bijdrage niet van belang is.
Raad van State
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) legde appellante een ouderbijdrage van €113,40 per maand op wegens de plaatsing van haar dochter in een residentiële voorziening vanaf 28 februari 2006. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij geen aanspraak had op kinderbijslag in de relevante periode en dat de bijdrage ten onrechte niet aan de vader was opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 69 van Pro de Wet op de Jeugdzorg en artikel 72 daarvan Pro, de laatstverzorgende ouder die aanspraak heeft op kinderbijslag de ouderbijdrage verschuldigd is. Omdat de vader vanaf het derde kwartaal 2005 geen kinderbijslag meer ontving en de dochter het laatst bij appellante verbleef, is zij terecht als bijdrageplichtige aangewezen.
Verder oordeelt de Raad dat het LBIO niet verplicht was appellante vooraf te horen bij het bezwaar, omdat uit het bezwaar direct bleek dat de gronden ongegrond waren. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellante de ouderbijdrage moet betalen en verklaart het hoger beroep ongegrond.