Uitspraak
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.
200700160/1), dient de bestuursrechter zich in het kader van de toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bij de toetsing van punitieve sancties de vraag te stellen of evenredigheid bestaat tussen de ernst van de overtreding en de zwaarte van de opgelegde sanctie. De minister kan dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat het al dan niet structurele karakter van de werkzaamheden bij de vaststelling van de hoogte van de boete in het geheel geen rol kan spelen.
200700303/1kan, anders dan de minister betoogt, niet worden afgeleid dat de aard, intensiteit en duur van de werkzaamheden geen rol kunnen spelen bij de vraag of en in hoeverre de hoogte van de opgelegde boete overeenstemt met de ernst van de overtreding. De overweging uit die uitspraak dat de aard, omvang en duur van de werkzaamheden niet ter zake doen, ziet uitsluitend op het werkgeversbegrip, niet op de factoren die een grond voor matiging kunnen vormen. Ook in de door de minister ter ondersteuning van zijn standpunt genoemde uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr.
200703719/1is het marginale karakter van de werkzaamheden uitsluitend in de context van het werkgeversbegrip besproken.