Uitspraak
200608492/1), is voor de beoordeling of [appellanten] als huurders belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bepalend in hoeverre de splitsingsvergunning van invloed is op de woonsituatie.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord verleende op 20 juni 2006 een vergunning aan Stichting Woningbedrijf Rotterdam voor het splitsen van het eigendomsrecht op een woningcomplex in Rotterdam in 79 appartementsrechten. Appellanten, die huurders zijn van appartementen in dit complex, maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het bestuur en later door de rechtbank ongegrond werd verklaard.
Appellanten stelden dat zij als huurders belanghebbenden waren bij het besluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de splitsingsvergunning slechts publiekrechtelijke toestemming geeft voor eigendomssplitsing en geen directe invloed heeft op de woonsituatie van de huurders. Hierdoor worden zij niet rechtstreeks in hun belang geraakt en kunnen zij niet als belanghebbenden worden aangemerkt.
De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het dagelijks bestuur dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Het bezwaar wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wordt het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het bezwaar van appellanten tegen de splitsingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn.