ECLI:NL:RVS:2008:BE8808

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200707602/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • M.W.L. Simons-Vinckx
  • G.N. Roes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 3:15 AwbArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken zienswijze bij revisievergunning milieubeheer

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 11 september 2007 een revisievergunning aan een vergunninghoudster voor een bedrijf dat vaten en lakken produceert. Dit besluit werd op 20 september 2007 ter inzage gelegd. Appellanten, wonend te een woonplaats, stelden beroep in tegen dit besluit bij de Raad van State, aangevuld met gronden in december 2007.

De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 1 juli 2008. Appellanten erkenden dat zij geen zienswijzen hadden ingediend tijdens de terinzagelegging, maar stelden dat dit verschoonbaar was omdat zij niet persoonlijk waren geïnformeerd over het ontwerpbesluit. Het college stelde dat het ontwerpbesluit wel aan appellanten was toegezonden en dat hierover ook in een huis-aan-huisblad was gepubliceerd.

De Raad van State oordeelde dat appellanten hun stelling onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt en dat het college het ontwerpbesluit daadwerkelijk had toegezonden. Er was geen reden om het ontbreken van zienswijzen als verschoonbaar te beschouwen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een zienswijze die niet verschoonbaar was.

Uitspraak

200707602/1.
Datum uitspraak: 20 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een bedrijf voor de productie van vaten en lakken gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 september 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2008, waar het college, vertegenwoordigd door E. Jansen en R.W.E. Kropf, werkzaam bij de provincie, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar Pro voren heeft gebracht.
[appellanten] erkennen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht, maar stellen dat dit verschoonbaar is omdat zij van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit niet op de hoogte waren en ook niet konden zijn nu zij, ondanks dat dit door het college was toegezegd, geen persoonlijke kennisgeving hebben ontvangen.
2.1.1. Het college voert aan bij brief van 31 januari 2007 het ontwerpbesluit aan [appellanten] te hebben toegezonden.
2.1.2. Vast staat, dat van het ontwerpbesluit in een huis-aan-huisblad kennis is gegeven. De Afdeling overweegt dat [appellanten] hun stelling dat zij niet persoonlijk van het ontwerpbesluit op de hoogte zijn gesteld, niet aannemelijk hebben gemaakt, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college het ontwerpbesluit aan hen heeft toegezonden. Ook anderszins bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het niet naar voren brengen van een zienswijze verschoonbaar moet worden geacht.
2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008
315.